Nieuw Spirit
Ontdek het Leven

 




Er werd tot mij gezegd: schrijf dit op, opdat zij die uitzien naar de dageraad van de ziel dit zullen lezen en begrijpen

Gedrukt 1906 -auteur anoniem

DE LELIËNKROON

die gevormd wordt door de vijf bloemkransen

EERSTE BLOEMKRANS

De dageraad van het zielenleven

TWEEDE BLOEMKRANS

Het ontwaken van het hart

DERDE BLOEMKRANS

Het ontwaken van het vermogen tot meevoelen, dat de ziel, die tot dusver alleen met zichzelf was, tot een deel van het Al maakt

VIERDE BLOEMKRANS

De ontplooiing van de Geest tot de etherische ruimten

VIJFDE BLOEMKRANS

De laatste bloem is de Goddelijke

Wanneer deze bloeit vormt zij de kroon voor de mens

I. DE EERSTE BLOEMKRANS - DAGERAAD VAN HET ZIELELEVEN.

Het hele leven van de mens ligt daar als een landschap, grauw, kleurloos en doods, tot er een koele wind opsteekt, de voorbode van de dageraad. Door die kille bries huiverende in de duisternis, beweegt de menselijke ziel in zijn slaap, gelijk de takken, de bloemen en de grassprietjes bewegen en huiveren onder de adem van de dageraad. Dit huiveren en in beweging komen openbaart zich in de menselijke ziel als de eerste gewaarwording van vage ontevredenheid met het leven; ontgoocheling, teleurstelling, een onbestemde vrees voor de toekomst volgen, wanneer opeens de zekerheid doordringt, dat dit leven onveranderlijk gevolgd wordt door de dood. Vroeg of laat komen deze gewaarwordingen tot een ieder; zij mogen zich voordoen in de vorm van een eindelijk vervulde wens, die, verwezenlijkt, toch niet reikt tot het ware ideaal; in de vorm van een vurig gewenste liefde, die, gewonnen, onvoldaan laat; of zij mogen in 't leven geroepen worden door het plotselinge inzien dat de jeugd voorbijgaat en zelfs aan het einde van de langste levensweg de poorten van de dood openstaan, die onverbiddelijk voeren naar het Onbekende. Maar in welke vorm die zich ook voordoet, het is de kille voorloper van de dageraad.


Doch er treedt verandering in, de wind gaat over in een zuchtje en gedurende die tijd van overgang verschijnt dat wonderlijke bleke licht over het ganse landschap, zoals 's morgens daar is, vóór de eerste zonnestralen doorbreken. Het gehele voorkomen van het landschap verandert; de vredige, sluimerende stilte gaat over in een wakende onrust, de schaduwen worden dieper en donkerder, het nog aanwezige licht is grauw, koud en somber. De warme veiligheid, de behaaglijke rust van het duister zijn verdwenen; licht, warmte en kleur van de zon zijn in aantocht, maar in dat korte ogenblik vóór de dageraad is er een leegte, een niet-zijn zonder enige hoop of belofte. Zo is het ook in de ziel van de mens vóórdat de dageraad het leven overstroomd heeft met zijn eeuwige zonneschijn. Het aangename gevoel van voldoening in het materiële is veranderd in een onrustige verwachting, een angstig vragen, een terugdeinzen voor de leegte die de sluimering vervangen heeft.


Maar eensklaps, daar verrijzen stoutmoedig de eerste zonnestralen aan de horizon -de dageraad is daar! De ontwaakte ziel wacht in verrukking totdat de gehele stroom van licht over haar zal zijn heen gevloeid, toverende een nieuwe hemel, een nieuwe aarde. Al de schaduwen, al de grauwe somberheid zijn gevloden van de nu in zonlicht badende wereld. Al de schoonheid, de kleur en de schittering, in tijde van sluimerend duister zelfs nooit gedroomd, worden nu geopenbaard in het zuivere licht van de dageraad. Het ontwaken van het zielenleven breekt niet op dezelfde wijze voor iedereen aan, noch op hetzelfde tijdstip. Voor velen is het eerst daar op het ogenblik van de overgang van dit leven naar het volgende. Voor enkelen slechts breekt dat licht door gedurende hun leven hier op aarde. Bij sommigen duurt dat tijdperk vóór het morgengloren, dat tijdperk van kille leegheid voort, vanaf het ontwaken tot aan het einde van hun leven.


Voor hen die de dageraad aanschouwen gedurende hun leven op aarde, is het later voor altijd dag. Wel kunnen er wolken komen, die de zon verduisteren, regen kan de hemel somber maken, maar toch steeds is het dag. En hij die eenmaal de dageraad gezien heeft, weet zeker dat achter de wolken, boven de regen de zon steeds schijnt.


Tot u allen, die nog huivert in de kille wind die aan de dageraad voorafgaat, zeg ik: Houdt moed, de schaduwen zullen voorbijgaan, de leegheid zal aangevuld worden; weest hiervan overtuigd. Even zeker als de zon opkomt voor de aarde, even zeker zal de dageraad van het zielenleven iedere mensenziel verheerlijken door zijn glans op de daarvoor bepaalde tijd. Een groot wonder heeft hier plaats en toch is dit eenvoudig en natuurlijk, evenals alle grote natuurwonderen: het dagelijks rijzen der zon boven de kim, het ontkiemen van ontelbare zaadjes, wier levensbeginsel voor ons verborgen is, het eeuwige wonder van geboorte en sterven; dit alles geschiedt zo eenvoudig, zo natuurlijk in regelmatige volgorde, dat men er zelfs geen acht meer op slaat of er van onder de indruk komt. Zo is het ook met de dageraad van het zielenleven; alles volgt op elkaar in natuurlijke regelmaat, nimmer onvoorbereid of met een schok, alleen als de onvermijdelijke verwezenlijking van al wat er aan vooraf ging. Wacht op de dageraad met open vensters en weest overtuigd dat hij komen zal! Alleen tot hen die in donkere holen sluimeren, dicht omgeven door begeerte en hartstocht, tevreden met hun uitsluitend stoffelijk leven, tot hen kan het goddelijk licht niet doordringen, evenmin als tot hen die in donkere kelders verblijf houden en zichzelf licht verschaffen door de kunstmatige en zelfzuchtige flambouwen van hun eigen verbeeldingskracht. Zij vergeten naar de glorie van de dageraad te zien en derven daardoor al de pracht van de zonsopgang.


Met het aanbreken van de levensdageraad in de ziel, breekt ook de dageraad van kennis aan, evenals het opgaan van de stoffelijke zon ook warmte zowel als licht met zich brengt, beide evenzeer nodig voor de groei van al wat op aarde leeft. De dageraad van de kennis is heel nabij, een dageraad schitterender dan sedert vele eeuwen aanschouwd is; maar indien al de bewoners der aarde zich in het duister verscholen houden, indien zij bij de eerste kille bries weer inslapen, gehuld in de zachte warmte van hun begoocheling, dan gaat het kostbare ogenblik verloren om eerst na vele geslachten weer te keren.


II. DE TWEEDE BLOEMKRANS – - HET ONTWAKEN VAN HET HART.

Het hart kan alleen door een grote liefde uit zijn slaap gewekt worden. Geen voorbijgaand roombeeld, geen tijdelijke hartstocht wekt het sluimerend mensenhart, dat sedert zijn laatste incarnatie in slaap verzonken is. Alleen de hand der Liefde, in allerhoogste zegening erop gelegd, is in staat dit te doen. Het ontwaken kan plotseling en heftig zijn, met een schok in volle bewustzijn; het kan ook langzaam en geleidelijk geschieden, slechts voerende tot halfbewustzijn in het begin. Maar eenmaal goed ontwaakt en tot volle bewustzijn gestegen, wordt het hart al de andere hem omringende harten gewaar, onverschillig of deze slapen of waken; hij herkent ze allen met meer of minder duidelijkheid, overeenkomstig zijn eigen aard.


Het ontwaakte hart ziet en begrijpt alle wreedheid en ruwheid die andere harten kunnen kwetsen. Geen vrolijk lachend of onverschillig masker, waarachter een gewond hart zijn smart tracht te verbergen, kan de klare ogen misleiden die met enig mededogen en volkomen begrip alles doorzien.


Voordat het hart ontwaakt is, blijft de mens even onbewust van al de andere harten om zich heen, als een blinde, die op een onbekende weg voortschrijdt onkundig is van de bloemen, die om hem heen groeien en die hij evenzo achteloos vertrapt en vernietigt.


Het slapende hart is alleen bewust van zijn eigen bestaan in de ganse wereld. Het is in staat te voelen, maar alleen voor zichzelf; slechts eigen vreugde, eigen smart kunnen het aandoen en dan nog alleen op een vage, doffe wijze, zonder recht begrip. Vreugde en smart van anderen kunnen het niet treffen, want het hart is onkundig van hun bestaan.


Een grote kracht wordt geboren uit de kennis en inzicht van het ontwaakt hart. Geen dwaling, geen wanbegrip, geen misdaad van hen, wier harten nog slapen, is te groot om vergiffenis te verlangen van hem, die zien kan dat zij nog niet wakker zijn. Geen kwaad bedreven door degene wiens hart reeds ontwaakt is, kan streng beoordeeld worden door de mens wie het gegeven is de geheime bronnen na te gaan waaruit handeling voortvloeit.


Ieder mens is bereid verschoning te vinden voor overtredingen en fouten door hemzelf begaan; hij slaagt erin verontschuldiging te vinden voor zijn eigen daden, hoe afkeurenswaard deze ook in de ogen van de overige mensen mogen schijnen. En evenals hij voor zichzelf verontschuldiging vindt, zo volkomen schenkt ook de mens, wiens hart ontwaakt is, zijn broeders vergiffenis, want hij weet dat in waarheid alle harten één zijn; dat het grote hart van de wereld één is en dat alle mensenharten, die schijnbaar op zichzelf staan, gescheiden van elkaar, toch slechts weerspiegelingen zijn van het éne grote hart; beelden die afzonderlijk weerkaatst worden in de verschillende watervlakken van elke mensenpersoonlijkheid. Het schijnbaar verschil bestaat slechts in het deinen en schitteren van dat beeld in de plassen, wier oppervlakte, door de wereldadem bewogen, nu eens kabbelt en rimpelt, dan weer door voorbijtrekkende wolken verduisterd of verbroken wordt door vallende regendroppels.


Het kan ook voorkomen, dat de plassen zo ondiep zijn, dat elk klein steentje of schelpje van onbetekenende wereldse zorg en verlangen door het spiegelbeeld heen zichtbaar is en zo de volmaaktheid der weerkaatsing vermindert en vervaagt. Slechts hier en daar vindt men een plas diep en stil genoeg om het juiste beeld getrouw weer te geven; evenals het spiegelvlak van een tussen heuvelen gelegen meer ook onveranderd het beeld weerkaatst van de zon die het beschijnt.


Er is slechts één zon, maar ieder meer, elke rivier, iedere zee en elke kleine diepte op het strand, iedere golf en iedere kabbeling draagt de ontelbare weerspiegelingen van dat licht.


Evenals onverzoenlijkheid en wraakzucht onbestaanbaar zijn voor het ontwaakte hart, evenzo is dit het geval met jaloezie, boosheid en alle liefdeloosheid.


Kan de rechterhand van de mens de linkerhand benijden omdat deze een kostbare ring draagt? Kan één lid van een lichaam het andere haten? Kan een deel van het lichaam rust genieten, terwijl het andere pijn lijdt? Dit alles is niet mogelijk voor de stoffelijke mens en wordt evenzeer onbestaanbaar voor de geestelijke mens, wanneer eenmaal zijn ontwaakt hart volkomen begrepen heeft dat het gehele mensdom één is, dat het geheel lijden moet voor elke zonde en voor elke smart van elk lid, dat het geheel zich verheugt over elke vreugde of eerbewijs van elk deel. Vriendelijkheid, liefdadigheid en medelijden zijn de onvermijdelijke gevolgen van het ontwaken. En hiermee gaat samen iets, wat inderdaad een tegenstrijdigheid schijnt, namelijk een onvolkomen onverschilligheid voor de afkeur of toejuiching der mensen, voor hun ondankbaarheid en hun miskenning.


Hoe geleidelijk het hart ook ontwaakt, toch verrast het de mens altijd en is als een openbaring. Wanneer deze gebeurtenis plaats grijpt, is dit een bewijs dat de tijd van gedwongen wedergeboorte op dit gebied ten einde spoedt en het ogenblik nadert, dat de mens, die vele lessen geleerd heeft, de Tempel aan het eind van het Pad nabij komt, waar hij in staat zal zijn zelf te beslissen, wanneer en waar hij zal reïncarneren en onder welke omstandigheden zijn terugkomst op dit gebied het meest nuttig kan zijn aan al die andere mensen van zijn ras.


Verdriet, verlatenheid en afzondering komen niet meer voor in het leven van de mens, wiens hart ontwaakt is. Al de vreugde, vriendschap en broederschap is zijn deel sedert hij één geworden is met het Al, en opgehouden heeft een afzonderlijk bestaan uit te maken.


Ofschoon het wakker worden van het hart alleen mogelijk is door allerhoogste liefde, veroorzaakt liefde niet altijd dat ontwaken. Er zijn velerlei vormen van liefde, die daarom die naam niet minder verdienen, al verschillen ze van elkaar in aard, in wezen zowel als in standvastigheid. Waar ook liefde gevonden wordt, daar verricht zij steeds haar taak; de slagboom op te heffen, die de persoonlijkheden van elkaar scheiden; liefde leert altijd haar eigen les: de les dat niemand aan zichzelf genoeg heeft.


Er bestaan vormen van liefde, die zelfzuchtig, ijverzuchtig en veeleisend zijn, ongeschikt het hart te doen opengaan voor de grotere broederschap der mensheid en toch zijn ook deze vormen niet vergeefs, want zij leren de zelfzuchtige ziel tenminste toestaan, dat één ander binnen de enge grens van zijn persoonlijkheid treedt, en daar waar iemand eenmaal de slagboom is doorgegaan, daar blijft altijd een opening, die al groter en groter zal worden, totdat ten laatste de gehele slagboom opzij zal zijn gedrongen.


Enkele zielen, die eens hun deur voor een grote liefde openden, verliezen die liefde. Zij zouden dan slechts wensen die deur voor immer gesloten te houden, maar zij kunnen dit niet. Wellicht treedt gedurende dat leven geen andere grote mensenliefde door die uitgang, maar een menigte kleine genegenheden, lieve gedachten, het vermogen om hen te begrijpen zullen ongemerkt binnensluipen door de poort die, eens geopend door een menselijke hand, van die tijd af aan nooit weer geheel gesloten kan worden.


Er is veel wat slechts weinig begrepen wordt door de bewoners van deze wereld, maar niets wordt zo weinig verstaan als de Liefde en de zending die zij de vervullen heeft. Wanneer Liefde verschijnt en aan de gesloten deur klopt, waarachter de afgezonderde ziel zich heeft ingesloten, dan is het niet haar doel binnen te treden en te blijven in die enge gevangenis vol duisternis -zij komt om de bewoner weg te voeren, naar buiten in de open lucht, onder de klare hemel. De bewoner echter die de deur opent en getroffen wordt door de reine schoonheid van haar, die aan zijn deur klopte, zou haar liever zien willen binnentreden en daarna de deur grendelen, opdat zij niet meer zou kunnen heengaan; maar wanneer de Liefde hem bij de hand vat en hem weg wil leiden, dan wil hij niet mee -hij klemt zich aan Liefde vast, haar smekende te blijven en nu hij weigert mee te gaan moet de Liefde de terugtocht alleen aanvaarden, hem troosteloos achterlatende.


Geloof en versta dit, o leerling! Liefde is niet een metgezel, die gekomen is om met u in uw enge kerker van persoonlijke afzondering te wonen; zij is een bode die gekomen is om u vanuit die nauwe gevangenis te leiden naar buiten, naar de onbeperkte vrijheid en indien u u niet door haar wilt laten leiden, dan gaat zij heen en verlaat u als een bode, die geen tijd heeft tot dralen.


Hier en daar worden op deze aarde kinderen geboren die vanaf hun vroegste jeugd onzelfzuchtig zijn en niet bewust zijn zelf aanspraken en rechten te hebben. Bij deze kinderen is het hart ontwaakt. Welke beproevingen van verdere inwijdingen zij ook in deze incarnatie te overwinnen hebben, zij zullen zich nooit eenzaam of ongelukkig voelen, want zij zijn nooit zonder liefde; al ontvangen zij geen liefde, zij hebben altijd liefde te geven.


Het grootste doel van het leven op aarde is het doen ontwaken van het hart. Voor dit plaats heeft, kan geen stap voorwaarts gedaan worden. Zij wier hart nog niet ontwaakt is, strompelen vooruit op het rotsachtige Pad, zoals een blinde struikelt tegen de berghelling op, nu aan deze dan aan gene zijde tastend, zonder een stap nader te komen bij de top waarheen het Pad voert. Al de lessen die gedurende leven na leven geleerd zijn ten koste van pijn, verdriet en teleurstelling blijken vergeten, ondervindingen die als gidsen moesten dienen, zijn veronachtzaamd, vorderingen in het ene leven gemaakt, worden niet in het volgende voortgezet, want alle vooruitgang, alle kennis is slechts oppervlakkig, is slechts tijdelijk, totdat het hart in staat is eraan deel te nemen. Alleen het hart herinnert en verzamelt zijn verkregen kennis, alleen het ontwaakte hart kan een terugblik werpen op zijn doorlopen levens en de lessen ervan begrijpen.


Zolang het hart niet wakker is, handelt de mens als in een droom, gelijk een schijngestalte, een schaduw, onbewust van zijn eigen handelingen en de schaduwen om zich heen. Niets van wat hij leert of bereikt neemt hij op als een deel van zichzelf om in zijn volgende levens mee te dragen, omdat de mens alleen door het ontwaakte hart in verbinding kan treden met zijn goddelijk Zelf, dat bestaan blijft door al de volgende levens heen.


Het slapende hart deelt niets mee aan het goddelijk deel, de ware mens, van al de lessen die geleerd en de ondervindingen die opgedaan werden, zodat wanneer de stoffelijke mens sterft het geleerde, de ondervindingen en de verkregen kennis met hem sterven; deze incarnatie was dus voor het ware Zelf vergeefs, want niets blijft over om mee te nemen naar het toekomstig leven. Dit is de reden waarom de mens telkens en telkens op aarde terugkomt en zijn zelfde standpunt inneemt; wederom moet hij de moeilijke strijd tegen onwetendheid en begoocheling aanvangen, wederom in dezelfde fouten en teleurstellingen vervallen, want hij heeft niets in het verleden geleerd en niets werd door zijn herinnering overgebracht.


Toch zijn er velen onder u wier hart ontwaakt is, maar niemand herkent hen. Zij zijn weinig in tel bij de mensen, omdat zij gering over zichzelf denken. De wereld gaat aan hen voorbij en wanneer er over een van hen gesproken wordt is het alleen op een wijze als: “Daar gaat een dwaas of daar gaat een dweper!” Niemand luistert naar hem of geeft zich moeite het onderscheid te leren kennen tussen die mens en de overigen waarmee hij verkeert. En toch, zij die lijden, zij die in droefheid zijn, zij herkennen hem; somtijds schijnt hij hun slachtoffer, maar dit is zo niet, hij kent hen, hij leest tot diep in hun harten en hij verstaat.


In elke rang of stand worden zulke mensen aangetroffen en hun nabijheid maakt het leven mogelijk in deze enge wereld, waar de stofwolken van strijd en tweedracht steeds dichter opdwarrelen en de bewoners dreigen te verstikken.

 

III. DE DERDE BLOEMKRANS - HET ONTLUIKEN VAN HET VERMOGEN TOT MEEVOELEN, DAT DE ZIEL DIE TOT DUSVER ALLEEN MET ZICHZELF VERVULD WAS, TOT EEN DEEL VAN HET AL MAAKT.

Evenals de knop die gevouwen heeft gelegen in zijn kelk zich zachtjes opent, zo ontluikt ook het vermogen tot meevoelen in de ziel. Eenmaal ten volle open gegaan ziet de bloem op naar de zon, naar de hemel omhoog en de aarde om haar heen en voelt dat zij uitmaakt van al wat is; nu niet langer zorgvuldig omsluierd en verscholen als iets in afzondering en op zichzelf volmaakt, maar badende in een zee van licht; het licht der wereld, dat tot in elk deeltje doordringt, aan al wat leeft bezieling geeft en alles maakt tot één groot huisgezin. Wel is de ziel altijd een deel geweest van dat wereldleven, maar pas wanneer de knop ontloken is, wordt het haar duidelijk, dat al wat haar omringt door datzelfde licht beschenen wordt en zijn bestaan eraan dankt.


Niets leeft in afgescheidenheid of eenzaamheid buiten dat licht, al gelooft de gesloten knop in haar onontplooid omhulsel, dat zij geheel alleen in een wereld op zichzelf leeft. Het gevoel van eenzaamheid van de ziel is als van iemand, die geblinddoekt te midden van een grote menigte mensen gebracht wordt, welke allen een diep stilzwijgen bewaren; doordat hij geen van allen ziet, verbeeldt hij zich alleen te zijn, zonder enige metgezel, terwijl het alleen zijn eigen verblinding is, die hem in de waan brengt van verlaten-zijn en eenzaamheid. Wordt de blinddoek weggenomen, dan ziet hij hen die hem omringen.


Zo gaat het ook met de mens wanneer de blinddoek van “met zichzelf vervuld zijn” van de ogen van zijn ziel weggenomen is en hij het gebruik krijgt over dat gezichtsvermogen, dat wij sympathie noemen. Rondziende bemerkt hij de zielen van anderen, hij ziet hun vreugde of hun verdriet; hij leert hun noden en verlangens kennen. Ook wordt het hem duidelijk, wie van hen de ogen geblinddoekt heeft en wie van hen in staat is zijn blik open te beantwoorden. Wanneer zij, wier ogen nog toegebonden zijn, hem pijnlijk stoten of trappen, zoals somtijds gebeurt, dan vergeeft hij hun dit zonder toorn, want hij weet dat zij hem, die zij wondden, niet eens zagen. En reiken die zielen, wier ogen onbedekt zijn, hem de hand tot vriendschap, dan ziet hij die hand, hij vat haar en beantwoordt haar druk.


Een enkele keer ontwaakt de ziel in de mens plotseling, maar het wakker worden van het zintuig van meevoelen, het zintuig van het zielsgezicht, geschiedt gewoonlijk langzaam en trapsgewijs. Een klein tipje van de sluier wordt opgelicht, hij ziet een of andere ongelukkige aan zijn voeten gekromd liggen, gewond en bloedend en zegt tot zichzelf: “Dus ben ik hier niet alleen?” Sommigen zullen na deze ontdekking de sluier wederom over de ogen trekken, omdat zij liever niet willen zien. Maar hij die probeert de blinddoek verder weg te schuiven om beter te kunnen zien en de gewonde aan zijn voeten te helpen, zal ook andere zielen onderscheiden uit de grote schare, die hem omringt. In het begin zal hij slechts enkele die het dichtst bij hem zijn kunnen waarnemen, maar langzamerhand zal zijn gezichtsvermogen scherp genoeg worden om iedere ziel, die hem nadert, te zien en te verstaan.


De volle ontwikkeling van dat zintuig van meevoelen, van dat “zien” van de ziel, kan niet gedurende een enkele incarnatie verkregen worden; het neemt toe en breidt zich uit in elk opvolgend bestaan.


Er worden zielen in deze wereld geboren, die zelfs vanaf hun kinderjaren een wonderlijk vermogen bezitten om tot diep in de harten van anderen te lezen en deze zijn nooit geneigd de zondaar te veroordelen. Bij deze is het nooit oog om oog, en tand om tand. Zij zijn altijd gereed vergiffenis te schenken en verschoning te vinden voor alle kwaad hen aangedaan. Zij zijn bij machte het vertrouwen van andere zielen te winnen; zij bezitten het vermogen om in verstokte zielen dat éne plekje aan te raken, wat nog week en menselijk is en daardoor al wat er nog van goedheid en welwillendheid in aanwezig is, tevoorschijn te roepen.


Zij beginnen de grote les te leren, dat geen enkele menselijke ziel een onafhankelijke en afgescheiden bestaan leidt, maar dat elk een deel uitmaakt van één groot Geheel.


Met het aangroeien van meevoelen wordt deze les al duidelijker en duidelijker, wanneer die les geheel gevoeld is en verstaan. Dan is het ogenblik gekomen, waarop de derde bloemkrans der lelie zich opent, het omhulsel valt van het hart der bloem en laat dit open voor de zonneschijn.


IV. DE VIERDE BLOEMKRANS - DE ONTPLOOIING VAN DE GEEST TOT DE HOGERE GEBIEDEN.

Groei is in zijn ware aard iets onwaarneembaars. Bezie eens nauwkeurig een knop, die bezig is te ontluiken. Terwijl u dit doet, bespeurt u geen verandering. Indien u de knop de hele dag nauwkeurig zou blijven gadeslaan, zou u niet kunnen zeggen: “Op dit of dat ogenblik heeft een verandering plaats gehad, toen heeft de knop zich ontplooid”. U hebt geen verandering kunnen waarnemen, terwijl u aandachtig toekeek, en toch heeft de knop, die bij zonsopgang groen was, zich 's middags roze getint en is bij zonsondergang geopend.


Het kind dat u geboren is, slaat u elke dag gade. U ziet het elke dag, misschien elk uur, maar van de ene tot de andere dag bespeurt u geen ontwikkeling of verandering; toch groeit de zuigeling op tot knaap, de knaap ontwikkelt zich tot man en u, die hem van dag tot dag gadegeslagen hebt, u hebt die groei niet kunnen zien.


Op dezelfde wijze, onmerkbaar maar zeker heeft de ontwikkeling van hogere gebieden plaats. Het is geen plotselinge gebeurtenis; niet op het ogenblik van de dood gaat de geest over naar hogere gebieden, zoals sommigen geloofd en geleraard hebben. De geest was allang bezig zich te ontvouwen naar dat hoger gebied en wanneer de ontplooiing volkomen is, valt de lege schil af, verwelkt en verbruikt. Het stoffelijk lichaam valt weg en laat de geest ten volle geopend voor het licht van de zon, naar wier glans de ziel zich ontplooid heeft, dagenlang onwaarneembaar voor zichzelf en al wat haar omringde.


Deze ontplooiing is een mysterie en het valt niet gemakkelijk dit te doorgronden, zelfs niet voor de leerlingen, maar enige van de kenmerken zijn deze: wanneer u vurig begint te verlangen naar leerlingschap, wanneer uw gedachten zich neigen naar het geestelijke en zich minder aangetrokken en voldaan voelen door datgene wat tot de stoffelijke wereld behoort, dan vangt de ontplooiing van de geest aan. Wanneer u begint te beseffen dat er buiten uzelf andere mensen in de wereld zijn, wier vreugde u kunt doen toenemen, wier smarten u kunt lenigen; wanneer het geluk van anderen voor u van meer belang is dan uw eigen geluk; wanneer u gaarne bereid zijt liefde te geven, zonder beantwoording te verwachten, wanneer u u tot dit alles in staat voelt, dan kunt u zeker zijn dat uw geest zich begint te ontplooien naar hogere gebieden.


In korte flikkeringen zult u de gewaarwording krijgen van een wondervolle vreugde, welke door geen stoffelijke gebeurtenis veroorzaakt kan zijn. Zo nu en dan komen er ogenblikken van volmaakte vrede, die u helpen zullen een blik te slaan in die hogere gebieden, naar welke uw geest zich ontplooit en waar u voortaan geheel verblijven zult, onbelemmerd door uw lichaam. In deze korte ogenblikken van geluk, vrede en heilige blijdschap zult u tot de wetenschap komen, dat uw geest begonnen is zich te ontplooien naar de etherische ruimten. Deze woorden zijn alleen voor de leerling.


De weg is voor iedereen dezelfde, maar zij die aan de kant neerzitten en zichzelf kransen vlechten van de genotsbloemen die langs de weg groeien, kunnen niet verwachten gelijktijdig aan de poort te zijn met hen die zich ijverig haasten vooruit te komen.


Er is hierbij geen sprake van waardigheid of onwaardigheid, van beloning of straf, het is de eenvoudige wet van oorzaak en gevolg. Er is een doel dat bereikt moet worden, maar niemand wordt voortgedreven langs het pad dat erheen voert. Zij die de afstand haastig afleggen, komen het eerst aan. Zij die zich onderweg ophouden, komen later. Zij die het Pad in het geheel niet betreden, komen er nooit.


In stoffelijke zaken is de eenvoudige wet van oorzaak en gevolg, dat wanneer u niet op weg gaat, u ook nooit erin slaagt een plaats te bereiken, tenzij u met geweld daarheen gevoerd wordt, maar in het geestelijke bestaat geen geweld.


Elke ziel kiest en beslist over de weg die hij wil volgen, gaat voorwaarts, gaat achterwaarts of blijft stilstaan wanneer en zolang zij dit verkiest. Maar uitsluitend en alleen door eigen innerlijke groei ontvouwt de geest zich tot hogere gebieden. Wat gebeurt er, indien de geest zich niet ontplooit? Er gebeurt niets. Alles blijft zoals het is. De knop ontluikt niet, maar de zomer staat daarom niet stil. Zachtjes aan wordt het winter (het einde van deze “kalpa”), de gesloten knop kan niet meer ontluiken wanneer haar bloeitijd voorbij is -zij blijft steeds gesloten, heeft niets gedaan tot vervulling van eigen bestaan en is niets. In de winter trekt het sap van de takken zich terug in de wortel, het hart van alles. Is het voorjaar gekomen, dan stijgt het weer op door alle takken heen, nieuwe bladknoppen en nieuwe bloemen vormende, doch het vloeit niet in de knoppen van het vorig jaar. Aanschouw de rozen in uw hof, zie en begrijp dit goed. Neem deze les ter harte.


Alleen gelijksoortige wonderen in de natuur kunnen van deze mysteriën een schaduwbeeld geven en voor hem, die de Goddelijke wegen niet begrijpen noch verklaren kan, bestaat er geen ander middel om de geheimen die tot de geestelijke wereld behoren te doorgronden, of door te dringen tot hogere gebieden, de natuurlijke sfeer van de geest.


Het is niet op het ogenblik van sterven dat de geest aanvangt zich naar hogere gebieden te ontplooien; dat ogenblik is in werkelijkheid de voltooiing ervan. Bij het ontvouwen wordt de geest geleidelijk los van het stoffelijk gebied, totdat tenslotte ook de laatst overgebleven band met het aardse wegvalt en dat is het ogenblik van sterven.


Deze woorden zijn voor de leerling. Geen woorden zijn bij machte dit wonder verder zo aan te duiden, dat het begrepen zou kunnen worden door hen die geheel onbekend zijn met occulte leringen.


V. DE VIJFDE BLOEMKRANS -  DE LAATSTE BLOEM IS DE GODDELIJKE; WANNEER DEZE

BLOEIT, VORMT ZIJ DE KROON VOOR DE MENS.


Doch die bloeitijd is niet hier. Geen stoffelijk lichaam houdt de geest terug, die zijn bloesems tot het Goddelijke uitstrekt. Hier op aarde kan de hoogste kroon van de lelie niet tot volmaking komen. Hoe

dikwijls een ziel ook op deze aarde geweest is, toch is zij niet in staat hier die kroon te dragen.


Daarom, o, leerling, moet u wachten totdat alle lessen van deze aardse levens volkomen geleerd zijn; dan kunt u de hof binnentreden waar de Goddelijke bloem bloeit, die de kroon zet op uw mens-zijn.

 
 
 
 
google-site-verification: googleae70da3b9f2c6104.html