Nieuw Spirit
Ontdek het Leven


DE KLEINE ZIEL – voor jongeren

Een ziel is een stukje van god dat ieder mens in zich draagt. Het woont als het ware in je binnenste. Doordat je een ziel hebt, kun je voelen dat er een wezen is dat groter is dan jij. Iemand of iets dat zo enorm groot is, dat het sterren en planeten op miljoenen lichtjaren van ons af heeft bedacht en gemaakt en die ze allemaal laat draaien en cirkelen in het heelal. Het is een wezen dat alle verschillende planten en dieren bedacht en maakte en ook nog op zo’n manier dat ze leven. Dat grote wezen bedacht dat er iets levends moest zijn dat kon denken en praten en dat zelf ook dingen kon maken net als dat wezen zelf, maar dan in het klein. Dus bedacht het wezen mensen. Maar het wezen vond dat er geen twee dezelfde mensen moesten zijn, dus hij maakte ze allemaal verschillend. Het wezen noemden de mensen God, want ze konden bedenken dat zij zichzelf niet hadden gemaakt, en ook de sterren, planeten, zon en maan, dieren en planten niet. Wat de mensen levend maakt noem je de ziel van de mensen. Het is iets onzichtbaars, het heeft te maken met weten dat je leeft en je ervan bewust zijn dat er heel veel andere dingen en mensen leven. Het is je verwonderen over alle levende en mooie dingen om je heen. Als je lichaam dood gaat, reist je ziel weer terug naar God, naar het grote wezen dat de ziel gemaakt heeft.

Hieronder vind je het verhaal van de Kleine Ziel, het komt uit het boek “Een ongewoon gesprek met God” en de schrijver is Neale Donald Walsch. Het is niet een heel gemakkelijk verhaal om te begrijpen, misschien moet je er wel over nadenken en soms zijn er wat moeilijke dingen beter uitgelegd, zodat je het verhaal wat beter kunt begrijpen.


DE KLEINE ZIEL

Er was eens een kleine ziel die van zichzelf wist dat zij het licht was, want zij wist dat zij door God gemaakt was en God is licht. Niet het licht dat we kennen van een lamp, maar een licht dat je van binnen voelt als je aan iemand denkt van wie je houdt, of als je ergens heel erg blij van wordt. Dat licht bedoelen we. Deze kleine ziel wist dus dat zij een beetje van het licht van God in zich had, zij was een deeltje van het licht van God. De kleine ziel was een nieuwe ziel, ze was nog niet zo lang geleden door God gemaakt en ze wilde graag alles weten en om alles te kunnen weten moet je eerst van alles meemaken en ervaren.

“Ik ben het licht”, zei de kleine ziel, “Ik ben het licht”. Dat wist de kleine ziel, ze wist het gewoon en ze vertelde het aan iedereen die het wilde horen. Maar ze wilde het zo graag voelen en meemaken dat ze het licht was. Ze wist het wel en vertelde het ook aan iedereen, maar ze maakte niets mee waardoor ze het voelde, hoorde of zag dat ze het licht was, want in de wereld van God waar ze woonde was alles en iedereen het licht. Er bestond niets anders, helemaal niets. Elke ziel was heel bijzonder, heel speciaal, heel schitterend en elke ziel had het schitterende licht van God, het was enorm en ontzagwekkend, zoveel licht er in die wereld is. Als je om je heen keek kon je niets ontdekken dat niet God, niet van licht gemaakt was en de kleine ziel was als een vlammetje van een kaart die je in het zonlicht houdt, je ziet het vlammetje niet meer omdat het zonlicht veel sterker is dan het vlammetje van de kaars. In het midden van het allermooiste, hoogste licht kon de kleine ziel zichzelf niet zien of weten en ervaren wie of wat ze echt was.

Nu was het zo dat de kleine ziel aan niets anders meer kon denken en niets anders meer wilde dan zichzelf te leren kennen. Ze wilde dit zo ontzettend graag, dat God op een bepaalde dag tegen de kleine ziel zei: “Weet je wat je moet doen kleintje om die grote, grote wens van jou te laten uitkomen?”De kleine ziel antwoordde: “Oh, wat God? Wat moet ik doen? Ik heb er alles voor over om mijn diepste wens te laten uitkomen.” God zei: “je moet jezelf losmaken van alles dat hier in Mijn wereld is en je moet vertrekken naar een plek waar niet alleen licht is, maar waar het ook donker is!”. De kleine ziel was verbaasd: “Wat is dan donker, wat is dan duisternis, oh, heilige God?” God antwoordde: “Dat is wat jij niet bent” en de kleine ziel begreep wat God bedoelde. Om te kunnen weten wie je bent, moet je soms dingen meemaken en dan kiezen hoe je wilt zijn en wie of wat je wilt zijn.

De kleine ziel was superblij, ze deed wat God gezegd had en ze maakte zich los van de wereld van God, de wereld van Licht, en ze vertrok om te kunnen weten wie ze was en wat ze was. Sterker nog, ze ging zelfs naar een andere wereld, die de aarde genoemd wordt. En op aarde kon de kleine ziel alles meemaken en ervaren wat met het donker of de duisternis te maken had. Ze kon meemaken wat gelukkig zijn is, want ze kon zich ook ongelukkig voelen. Ze kon blij zijn, want ze maakte ook mee dat ze verdrietig was. Ze kon gezond zijn, want ze was ook een keertje ziek geweest. Ze kon weten wat het licht was, want dat was wat ze voelde als je liefde voelde voor andere mensen en voor dieren en de natuur. Ze had ook gevoeld hoe het was om iemand te haten en daardoor wist ze dat liefde het mooiste gevoel was. Dit alles en nog veel en veel meer leerde de kleine ziel omdat ze alles meemaakte.

Maar toen ze op aarde was en het donker, het nare, soms zo erg was dat ze het bijna niet meer kon verdragen, riep ze God. Ze riep heel hard: “Vader, vader, waarom heb je mij verlaten, waarom ben ik zo alleen?” God had haar beloofd dat hij haar nooit in de steek zou laten. Hij had tegen haar gezegd: “Ik zal je nooit verlaten en ik heb je nooit verlaten. Ik sta altijd klaar en ben altijd bij je om je eraan te herinneren wie je echt bent, en ik sta altijd voor je klaar om je terug naar Huis te roepen”. Soms herinnerde de kleine ziel zich de belofte van God,  maar soms dacht ze ook dat ze dat alles maar verzonnen had, vooral als ze hele nare dingen in het leven op aarde meemaakte.

De belofte van God is waar en hij belooft aan elke kleine ziel die naar de aarde komt en mens wordt dat Hij altijd klaar staat voor die kleine zielen. Hij belooft dat hij hen nooit in de steek zal laten, Hij zal altijd van ze houden en ze kunnen altijd weer terug naar het Licht komen, naar Zijn wereld, waar geen donker is.

Herinner jezelf de belofte van God en vergeet het nooit. Wees een licht voor anderen en jezelf als het donker is in het leven. Wees niet bang voor de duisternis en vergeet niet wie je bent als je door nare dingen in het leven verdrietig wordt. Weet dat je door die nare dingen kunt weten hoe mooi de mooie en blije dingen zijn. Zo kun je anderen helpen en troosten. En als jou iets naars overkomt of iemand anders herinner je dan dat je God kunt roepen en kunt vragen om hulp. Hij zal je helpen herinneren dat je uit de wereld van het licht komt. Op het moment dat je het allerverdrietigst bent, kun je je omdraaien en tegen God zeggen: “God, je hebt beloofd dat je er altijd zult zijn, breng het licht terug in mijn leven”. En het zal gebeuren, want God houdt zich altijd aan Zijn belofte. Wees wie je wilt zijn, wordt zoals je wilt zijn, maar wees altijd een lichtje in de wereld.

Als je dit verhaal begrijpt, dan begrijp je ook waarom de wereld is zoals ze is en hoe ze kan veranderen als iedereen zich herinnert wat God beloofd heeft. Je hoeft in dit leven niet iets speciaals te leren, vertel gewoon aan anderen dat je je herinnert dat je uit de wereld van God komt en dat zij daar ook vandaan komen. Samen kun je dan weer anderen helpen om het zich te herinneren, zodat zij dat weer doorgeven aan anderen. Zo wordt het licht in de wereld, zo wordt de wereld en het leven mooi.

 
 
 
 
google-site-verification: googleae70da3b9f2c6104.html